Terug naar overzichtTerug naar overzicht
Jan Schep - verzetsstrijder

Door Pierre Rhoen

Jan Schep (1898 – 1945)
Verzetsstrijder onder de volkeren

Jan Schep werd geboren te Lekkerkerk op 18 november 1898. Hij was een zoon van Jan Schep en van Aagje Maurik. Hij trouwde te Amerongen op 17 oktober 1923 met Johanna Klemp (1900-1999). Uit dit huwelijk werden 2 kinderen geboren: Jan (1926) en Hendrik E.W. (1932). In 1919 vestigde hij zich op de Krullelaan in Zeist.

Gemeenteambtenaar

Aanvankelijk wilde Jan Schep onderwijzer worden. Hiervoor volgde hij 4 jaar de lessen aan de Rijks Normaalschool te Lekkerkerk. Blijkbaar ambieerde hij toch meer een functie bij de gemeentelijke overheid, want hierna ging hij een cursus in de gemeenteadministratie volgen. Hij behaalde in 1919 het diploma van de Nederlandse Vereniging van Gemeentebelangen. In 1927 behaalde hij nog de M.O.-akte staatsinrichting.

Zijn ambtelijke carriere begon bij de gemeente Amerongen. Daar werkte hij van 1915 tot 1919 op de secretarie. In die jaren bracht hij het tot 1e ambtenaar ter secretarie. Met ingang van 1 mei 1919 werd hij bij de gemeente Zeist benoemd. In 1928 werd hij bevorderd tot adjunt-commies 1e klassen en in 1934 tot commies 2e klasse. Een mooie carriere voor een ambtenaar tijdens de crisisjaren die Nederland voor de Tweede Wereldoorlog doormaakte.

Schep was werkzaam op de afdeling Burgerlijke Stand, Bevolking en Verkiezingen. Door de gemeenteraad werd Schep in 1922 benoemd tot plaatsvervanger van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in 1935 werd hij aangewezen als ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze functie bekleedde hij tot december 1941. Op diezelfde datum werd hij overgeplaatst naar de afdeling Algemene Zaken en Sociale Zorg van de secretarie. Op die afdeling was hij verantwoordelijk voor de uitgifte van de Tweede Distributiestamkaart. Mogelijk dat zijn overplaatsing verband hield met zijn werk voor de illegaliteit. In ieder geval wist burgemeester Visser hiervan.

Jan Schep (1898-1945) - 1938
Gemeentehuis – kamer 7 – Burgerlijke Stand en Verkiezingen – 1938 – rechts Jan Schep
Perfecte bevolkingsadministratie

Nadat Nederland bezet was wilde het Duitse bestuur een aparte registratie van alle Joden. Om dit te bereiken stelde de bezetter in januari 1941 een aanmeldingsplicht voor Joden in. Zij moesten zich binnen een maand melden bij hun gemeente.

Op 1 maart van hetzelfde jaar werd het persoonsbewijs ingevoerd. Iedere inwoner van Nederland was vanaf 1 januari 1942 verplicht het persoonsbewijs bij zich te dragen. Persoonsbewijzen van Joden waren voorzien van een ‘J’.

In de loop van 1941 werden door de bezetter een aantal anti-Joodse maatregelen genomen. Hierop doken veel Joden onder. Alleen met een vervalst persoonsbewijs waren zij betrekkelijk veilig en konden zij zich op straat begeven. Dat gold niet alleen voor Joodse onderduikers, maar ook voor niet-Joodse onderduikers. Dat waren bijvoorbeeld mannen die opgeroepen werden voor dwangarbeid in Duitsland, studenten na de studentenstaking in 1941 en mannen die in 1942 niet opnieuw in krijgsgevangenschap wilden.

Bij aanhoudingen van ‘verdachte’ personen kon het persoonsbewijs gecontroleerd worden met de persoonskaart in het bevolkingsregister. In 1938 was een nieuwe bevolkingsboekhouding ingevoerd. Iedereen kreeg toen een individuele persoonskaart met daarop vermeld alle belangrijke persoonsinformatie, zoals naam, adres, kerkgenootschap, beroep, namen van ouders, echtgenoot en kinderen. Op de persoonskaart stond ook het nummer van het persoonsbewijs. Bij een vervalst persoonsbewijs hoorde een vervalste persoonskaart.

Het verzet zorgde voor vervalste persoonsbewijzen en persoonskaarten. Maar geen land in Europa had een identiteitsbewijs dat technisch en administratief zo volmaakt was als het Nederlandse en de bevolkingsregistratie was uitstekend opgezet. Het was dus uitermate moeilijk.

De bezetter brachten het verzet en de onderduikers in een nog moeilijker situatie met de invoering op 4 december 1943 van de Tweede Distributiestamkaart, die op 11 juni 1944 in gebruik werd genomen. De Eerste Distributiestamkaart was vlak voor de oorlog ingevoerd. Elke Nederlander moest vanaf eind 1943 zijn persoonsbewijs laten controleren, want anders werd geen Tweede Distributiestamkaart uitgereikt. En zonder die kaart kreeg men geen bonnen en daarmee geen elementaire levensbehoeften.

Actief in de illegaliteit

Midden 1941 begon Jan Schep te zoeken naar mogelijkheden om zoveel mogelijk illegale inschrijvingen in het bevolkingsregister op te nemen. Rond 1942 werd hij actief in de illegaliteit. Dit met medeweten van burgemeester Visser. Schep hield zich bezig met het leveren van valse legitimatiebewijzen, een uitermate belangrijke tak van verzetswerk. Hij was een meester op dat gebied.

Het aantal ondergedoken Joden in Zeist bedroeg gemiddeld 600 à 700 en niet-Joodse onderduikers ongeveer 1000 à 1100. De meeste onderduikers wisselden om veiligheidsredenen eens in de drie weken van adres. Het was noodzakelijk om de vele onderduikers in Zeist van valse papieren te voorzien.

Aan de hand van vervalste persoonskaarten werden weer evenzoveel persoonsbewijzen gemaakt. Bij eventuele controle van een vervalst persoonsbewijs op het gemeentehuis klopte alles als een bus. De bezitter van het persoonsbewijs ging dan vrijuit.

Een grap die hij zich hierbij permitteerde, was dat meerdere persoonskaarten hetzelfde adres vermeldden, namelijk dat van de enige NSB-politieagent van Zeist: Evert C. Drost (1906-1949). In 1949 werd aan hem de doodstraf voltrokken.

Een foefje was om persoonsbewijzen te veranderen. Mensen werden – als het nodig was – ouder of jonger gemaakt. Ook was het heel gewoon dat men – administratief gezien – nooit kwam te overlijden. Mensen stierven, maar hun persoonskaarten werden niet uit het systeem verwijderd. In 1943 kwamen alleen al om deze redenen gemiddeld 450 bonkaarten extra per keer uit de distributie rollen.

Als gevolg van zijn verzetswerk kwamen in het bevolkingsregister veel onjuistheden en leemten voor. Volgens een schatting van 11 juni 1945 was een groep van 1.700 personen clandestien in het bevolkingsregister opgenomen onder een fictieve naam op clandestien verstrekte persoonskaarten. Het aantal van 1.700 personen zal wel te hoog geschat zijn. In het na de oorlog aangelegde register van illegalen zitten 907 persoonskaarten. Ook zaten in het bevolkingsregister persoonskaarten met een onjuiste geboortedatum (had waarschijnlijk te maken met de persoonsbewijzen waarop de geboortedatum was veranderd). Het bevolkingsregister was onvolledig omdat in de oorlogsjaren persoonskaarten uitgelicht waren en ontbraken.

Postuum geëerd

Jan Schep heeft honderden mensen het leven gered. Van hen zijn slechts twee namen bekend: Eva en Gerda Denneboom, moeder en dochter.

Op 20 oktober 1952 heeft de gemeenteraad in de Verzetswijk een straat naar hem vernoemd. En in 2006 heeft Yad Vashem in Jeruzalem hem postuum de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren toegekend. De medaille en het bijbehorende certificaat werden op 31 juli 2006 in Yad Vashem, het monument in Israël voor het herdenken van de joodse slachtoffers van de holocaust, uitgereikt aan zijn jongste zoon.

In de oorlog zijn nog meer personeelsleden van de gemeente Zeist om het leven gekomen, te weten A.G.J. Elskamp (1895-1944), E.F. la House (1919-1944), P.C. Jutte (1919-1945), C. Keiser (1916-1945), J.R. de Mildt (1924-1944), J. Pomstra (1923-1944), A.O.H. Tellegen (1907-1943), F. Viola (1918-1945) en W. van Wijk (1913-1945).