Terug naar overzichtTerug naar overzicht
Doornenbal, timmerman Willem Arntsz Hoeve

Interview en verslag: mevrouw Hans Gooszen
Gepubliceerd op Geheugen van Zeist mei 2014

Naam: Gert Doornenbal
Geboortedatum: 11 januari 1945 in Utrecht
Getrouwd met Joke
Kinderen: 2 dochters, Janine en Marion en 1 zoon, Alexander
Beroep: in 1967 aangesteld als timmerman, in 2010 gepensioneerd als manager techniek bij de Willem Arntsz Hoeve

Als je naar Den Dolder gaat kom je er nooit meer weg

In de winter van 1966 – 1967, in de laatste maanden van zijn militaire dienst, was Gert als gediplomeerd timmerman op zoek naar werk. Op een middag stopte zijn zus hem een krantenknipsel in de hand “In het psychiatrisch centrum Willem Arntsz Hoeve te Den Dolder wordt gevraagd: een timmerman…”. Zijn moeder vond het maar niks dat hij er op solliciteerde. “Als je naar Den Dolder gaat, kom je er nooit meer weg”, waarschuwde ze. “Nou, ze heeft mooi gelijk gekregen”, zegt Gert lachend. Hij werd al snel aangenomen en is er tot zijn pensioen in dienst gebleven. Ik interview hem in die vertrouwde omgeving, in het vroegere mortuarium, tegenwoordig het archief van de Historische Vereniging Den Dolder. Gert heeft er het plafond in gezet en de lambrisering gemaakt. Daar heeft hij nog een mooi verhaal over. Maar eerst terug naar het begin. Waar zijn moeder op doelde was dat Den Dolder met zijn ‘gekkenhuis’ niet zo’n beste naam had. Dat je, zo zegt Gert, “als het ware uit de maatschappij was weggeschreven” als je daar verbleef. Het was dan ook een bijzonder bedrijf waar hij terecht kwam.

Gert Doornenbal in 2014
Gert Doornenbal 1970 met dienstfiets
Een groot bedrijf op een groot terrein

In 1967 bestond de technische (later: facilitaire) dienst uit de afdeling Werktuigbouwkunde voor de electra en de centrale verwarming, en de afdeling Bouwkunde. Daar kwam Gert in dienst. Hij droeg zorg voor alle verdere onderhoud van de gebouwen. Dat waren er nogal wat:

  • 16 paviljoens voor de patiënten/cliënten,
  • bedrijfsgebouwen,
  • zusterhuizen,
  • een boerderij en
  • 54 dienstwoningen.

Alles verspreid over een groot, bosrijk terrein, waar je maar al te gemakkelijk kon verdwalen. Dat overkwam Gert dan ook meteen de tweede dag al, op de terugweg van een klus in de zogenaamde Boshut, een afgelegen therapiegebouw. Bij zijn afdeling werkte 37 man; Gert was de op één na de jongste. “Ik kreeg er meteen 35 vaders bij…”. Overigens werd iedereen bij de technische dienst wel keurig aangesproken met “meneer…”. Maar de sfeer was goed, je kon altijd terecht als er iets was. En het werk was afwisselend, niet alleen timmerwerk, ook andere klussen, bijvoorbeeld de metselaar en opperman helpen als het riool bij de centrale keuken weer eens verstopt was, doordat er teveel groentenafval op was geloosd. Er werd ook veel gelachen, zoals die keer dat ze het mortuarium opknapten. Twee schilders waren de nieuwe lambrizering aan het bewerken met celluloselak, terwijl Gert en zijn maat buiten deuren stonden te schaven. Het was koud, het vroor en ze gingen zo gauw mogelijk binnen verder werken. Daar werd de sfeer steeds lolliger. Hun baas, die kwam kijken, meende dat ze gedronken hadden, maar “Hoezo, bier, waar hadden we dat vandaan moeten halen, zo ver van het dorp…”. Later drong het tot iedereen door dat je bij het gebruik van celluloselak de ramen goed open moet houden om te ventileren, ook als het vriest!

Let op je gereedschap

Het duurde wel een tijdje voordat Gert gewend was aan de psychisch zieke mensen om hem heen. Vooral de schrijnende gevallen, de mensen die in een isoleercel zaten, tekeer gingen en eruit probeerden te breken. Dat mensen zo ver komen. Akelig ook als hij dan degene was die de celdeur moest repareren, zodat ze weer opgesloten konden worden. Maar ja, hij had bij zijn sollicitatie nu eenmaal beloofd de verpleging bij te staan om hun taak uit te oefenen. Je moest ook goed op je gereedschap passen. Het mocht niet gebeuren dat een patiënt iets in handen kreeg, waarmee hij of zij zich zou kunnen verwonden.

Is dat weleens mis gegaan?
Jazeker, vertelt Gert, “ik ben eens mijn hele kist kwijt geweest!” Hij moest naar paviljoen Winkler en had zijn gereedschapskist in de vestibule neergezet om zich te gaan melden voor de klus. Dat liep een beetje uit en toen hij terugkwam, was zijn kist weg. Toen kreeg het wel even warm. Maar de verpleger vertrok geen spier, wist precies waar hij zijn moest en trok de kist zó onder een bed vandaan. “Zo, wou je aan het werk gaan?”, vroeg hij de vrouw die op het bed zat. “Nee, dat kan niet, de kist zit op slot”, antwoordde ze teleurgesteld.

Advertentie vacature 1966
Wonen in “de Uithoek”

In de advertentie, waarop Gert had gesolliciteerd, stond streng “een dienstwoning is NIET beschikbaar”. Maar na een paar jaar op en neer reizen (zijn ouders woonden inmiddels in Veenendaal) gooide hij toch maar eens een balletje op bij zijn baas, meneer Beukema. Nog dezelfde dag moest hij naar Personeelszaken. Dat betekende: overall uit, schoenen afborstelen en naar het Directiegebouw. En jawel, hij kon een dienstwoning krijgen, maar, dan moest hij wel getrouwd wezen… “Tsja, dat ging me opeens wel erg snel, ik vroeg een week bedenktijd”, vertelt Gert.

Joke en hij werden het al snel eens, ze trouwden op 7 oktober 1970 en kregen toen de dienstwoning Dolderseweg 224C. Het was er geweldig mooi wonen, ze hadden een grote tuin, de kinderen konden er ’s zomers een tent opzetten om te kamperen. Het was een buurt met enkel dienstwoningen: Dolderseweg (ten Noorden van de brandweergarage), Boerderijlaan en Berkenlaan. Hun buurtvereniging noemden ze ‘de Uithoek’. Zo voelde het ook. “We hoorden niet bij het dorp, wij waren allemaal van de Willem Arntsz Hoeve, je werkte met elkaar, je woonde bij elkaar en je kende iedereen; dat was fijn, maar soms ook wel lastig, je moest het toch met elkaar uithouden”, vertelt Gert.