Ambrosius Karelse vertelt over vroeger: Kapperszaak aan de Montaubanstraat

Ambrosius Jacobus Karelse, geboren op 17 juni 1933 in Zeist, getrouwd met Alida Jantina van de Kuil, vader van één dochter en twee zoons en opa van vier kleinkinderen, werkte veertig jaar bij KPN en was daarnaast parttime beheerder op landgoed Rijnwijk. In dit artikel deelt hij zijn herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.

Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.

Een familie van kappers

De kapperszaak van de familie Karelse lag op de hoek van de Montaubanstraat en de Walkartweg. Die werd niet door zijn vader, maar door zijn grootvader opgericht, waarschijnlijk aan het eind van de negentiende eeuw. Op oude foto’s staan zijn grootvader en zijn vader samen in witte kappersjassen.

Zijn vader kwam uit De Bilt en reisde in zijn jeugd regelmatig naar Velp om zijn latere vrouw te ontmoeten. Zelfs in strenge winters ging hij op de fiets.

Het gezin van Ambrosius was groot en levendig. Hij was de jongste van zeven kinderen. De kinderen hielpen allemaal mee in de zaak. Ze deden kleine klussen zoals het aangeven van jassen en het bedanken van klanten. Fooi ging in een potje met een slot; alleen vader had de sleutel.

Scheren was in die tijd het belangrijkste werk van de kapper. Klanten kwamen vaak meerdere keren per week. Als jongen van tien hielp Ambrosius al mee met inzepen. “Je moest stilzitten,” zei zijn vader altijd, “want het mes is scherp.”

Werk en leven in de winkel

De kapper was zes dagen per week open, van vroeg in de ochtend tot laat in de avond. In de zaak kwamen allerlei klanten, van gewone inwoners tot mensen uit adellijke families.

Tijdens de oorlog veranderde er veel. De prijzen werden bepaald door de bezetter en waren afhankelijk van de locatie van de kapper. Soms kwamen er ook Duitse soldaten in de zaak, zoals een dronken soldaat die zich wilde laten scheren.

Zijn vader had naast de kapperszaak nog een andere taak. Hij was ook aanspreker. Dat betekende dat hij begrafenissen regelde. Daarbij moest hij soms moeilijke taken uitvoeren, zoals het voorbereiden van een overledene.

De kapperszaak was ook een plek waar mensen samenkwamen. Op zaterdagavond kwamen de middenstanders uit de buurt langs. Ze praatten, dronken wat en wisselden nieuwtjes uit. “Je ging niet naar het café, maar naar de kapper.”

Herinneringen en afscheid

Later bezocht Ambrosius de plek waar de zaak zat opnieuw. Dat maakte indruk. “Daar ben ik geboren en daar heb ik mijn vader geholpen,” vertelt hij.

Bij het zien van oude kappersspullen van zijn vader werd hij emotioneel. Ze brachten herinneringen terug aan een tijd die voorbij is.

Toch kijkt hij met waardering terug. Het was een leven van hard werken, maar ook van verbondenheid met de buurt en de klanten. “Alles gaat voorbij,” zegt hij, “maar de herinneringen blijven.”

Door: Dick van de Kamp