Anuscha Buiskool-Levi vertelt over vroeger
Anuscha Buiskool-Levi, geboren in 1931 in Amsterdam, verhuisde na haar jeugd in Halfweg in 1949 naar Zeist, trouwde in 1957 en is sinds 13 jaar weduwe, moeder van twee dochters en oma van twee kleinkinderen, volgde een opleiding aan de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam en werkte van 1951 tot 1965 als ontwerpster van poppenkleding. In dit artikel deelt zij haar herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.
Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.
Het begin van ANJO
In haar vooroorlogse huis aan de Sanatoriumlaan maak ik kennis met Anuscha. Voor het interview begint, laat ze mij haar zolder zien. Daar staat een grote verzameling poppen, waaronder exemplaren uit de vroegere poppenfabriek ANJO.
Na een kopje thee begint haar verhaal. “Ik ben in Amsterdam geboren, maar van mijn vierde tot mijn negentiende woonden we in Halfweg. Mijn ouders, An en Jo Levi, begonnen daar in 1937 de poppenfabriek ANJO. Mijn vader was inkoper speelgoed bij Vroom en Dreesmann en de Bijenkorf en mijn moeder werkte daar als verkoopster. Na hun huwelijk begon mijn moeder poppenkleertjes te maken.”
De verkoop liep goed en al snel kwamen er naaisters in dienst. Haar slaapkamer werd atelier. Later verhuisde het bedrijf naar een leegstaande pastorie in Halfweg, die werd ingericht als fabriek. Boven zat het atelier en kantoor, beneden de opslag en verzending.
De vraag naar poppen bleef groeien. De koppen kwamen tot 1940 uit Duitsland. Ze waren al beschilderd en voorzien van kleur op de wangen. De lijfjes werden gemaakt van tricot en gevuld met houtwol. Armen en benen werden gevuld met kapok. Sommige poppen hadden een stem of slaapogen. In de drukke maanden voor Sinterklaas werden er duizenden poppen verkocht.
Oorlog en verhuizing naar Zeist
“Ja, en toen kwam de oorlog.” Haar vader, die joods was, moest onderduiken. Via verschillende adressen kwam hij uiteindelijk in Warnsveld terecht, waar hij in het verzet zat.
Ondertussen hield haar moeder de fabriek draaiende. Er was genoeg materiaal ingekocht, waardoor er doorgewerkt kon worden. Stoffen werden soms geruild voor voedsel, waardoor het gezin geen honger had. Omdat import uit Duitsland stopte, werden poppenkoppen in Nederland gemaakt. Die noemden ze later de ‘oorlogskindjes’.
Na de oorlog bleek dat familie in Zeist was omgekomen. “Dat was een groot verdriet.” Toch verhuisde het gezin in 1949 naar Zeist. Het huis van de familie aan de Waterigeweg en een leeg fabrieksgebouw maakten die keuze logisch.
Zelf voelde Anuscha zich daar niet meteen thuis. De herinneringen waren zwaar. In die tijd zat ze nog op de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam en was ze alleen in de weekenden in Zeist. Na haar opleiding ging ze werken bij ANJO als ontwerpster en hoofd van het atelier.
De sluiting en een bijzonder verhaal
In 1959 stopte de poppenproductie in Zeist. Haar ouders verhuisden naar Bilthoven en gingen verder met een atelier voor poppenkleding. Anuscha bleef ontwerpen en maakte twee keer per jaar een nieuwe collectie, gebaseerd op de mode van dat moment.
In 1969 werd het bedrijf verkocht. Daarmee kwam ook een einde aan haar werk als ontwerpster.
Tot slot vertelt ze over de Beatrixpop. In 1939 werd, naar aanleiding van een foto van prinses Beatrix, een pop ontworpen. De kop werd in Duitsland gemaakt en haar moeder maakte het lichaam. Door het uitbreken van de oorlog kwam de productie nooit op gang. “Mijn Beatrix heeft dus nooit zusjes gekregen.”
Aan het eind van het gesprek wordt duidelijk hoe bijzonder dit verhaal is: het verhaal van een Nederlandse poppenfabriek die tien jaar in Zeist gevestigd was, en van een creatieve ontwerpster die daar een belangrijk onderdeel van uitmaakte.