Beb Voskuil vertelt over vroeger: Wijkverpleegster in Zeist
Huberta (Beb) Voskuil, geboren op 28 mei 1932 in Gouda, werkte als wijkverpleegster. In dit artikel deelt zij haar herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.
Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.
Van opleiding naar de wijk
Beb Voskuil begon in 1960 als wijkverpleegkundige in de Utrechtse wijk Hoograven. In 1967 kwam zij naar Zeist, waar zij ging werken voor het Oranje Groene Kruis. Later werd dit onderdeel van het Kruiswerk Zeist. Ze werkte onder meer in Vollenhoven, aan de Burgemeester Patijnlaan, Professor Sproncklaan en Roemer Visscherlaan. Haar werkgebied besloeg ongeveer een vijfde deel van Zeist.
Aan het einde van haar tienerjaren begon zij aan de driejarige A-opleiding voor verpleegkundigen in Dordrecht. Daarna volgde zij een opleiding voor kraamverpleging in Den Haag en een opleiding tot wijkverpleegkundige in Utrecht. In 1960 haalde zij haar diploma en ging zij als 29-jarige voor het eerst zelfstandig de wijk in. “Wij waren er van de wieg tot het graf.”
Als wijkverpleegkundige deed zij van alles. Zij verzorgde moeders en baby's na de kraamperiode, gaf insulinespuiten, verzorgde wonden, hielp bij revalidatie, ondersteunde ouderen en begeleidde mensen met kanker. Ook legde zij overledenen af. Soms kreeg zij midden in de nacht een telefoontje en moest zij direct op pad, zonder te weten wat haar te wachten stond. “Ik bezocht mensen die kanker hadden, in een gipscorset zaten, ik gaf insulinespuiten, deed wondverzorging en mensen afleggen.”
Werken met hart en ziel
Beb groeide op in een gezin met zes kinderen. Haar ouders hadden een banketbakkerszaak. Hard werken hoorde er vanzelfsprekend bij. Een van haar zussen was verstandelijk gehandicapt. De zorg voor haar bepaalde voor een belangrijk deel de sfeer thuis. Daardoor leerde Beb al jong wat zorgen voor een ander betekende. Aanvankelijk wilde zij niet de verpleging in. Pas toen zij in een rusthuis ging werken, ontdekte zij hoe mooi zij het vak vond. Vanaf dat moment wilde zij niets anders meer worden dan verpleegkundige. Het mooiste van de wijkverpleging vond zij de afwisseling. “De verscheidenheid, de variatie, daarin vond ik mijn voldoening.”
Op één dag kon zij jonge moeders begeleiden, ouderen verzorgen en hulpmiddelen verstrekken tijdens het spreekuur in het wijkgebouw. Mensen kwamen daar voor injecties, bedden, urinalen, postoelen en andere hulpmiddelen. Weekenddienst hoorde er ook bij. Dat betekende dat zij van vrijdagavond tot maandagochtend bereikbaar moest zijn. Later kreeg zij een soort mobilofoon, zodat zij ook onderweg bereikbaar was. In het begin ging zij overal op de fiets naartoe. Een patiënt vond dat eigenlijk niet kunnen. “’t Is toch schande dat het Oranje Groene Kruis u geen auto geeft.” Toen zij enkele maanden later inderdaad in een auto reed, kreeg zij direct een opmerking: “Tjonge, jonge, dat doet maar duur tegenwoordig...”
Werk boven alles
Het werk nam een groot deel van haar leven in beslag. Daardoor was er weinig ruimte voor een privéleven. Beb trouwde nooit. “Ik was te kieskeurig, denk ik.” Na een gesprek met een oudere patiënt die liever in het ziekenhuis bleef dan naar huis terug te keren, besloot zij dat zij alleen wilde trouwen als zij zeker wist dat een relatie ook na tientallen jaren nog goed zou zijn. Ze kreeg verschillende kansen, maar bleef alleen. Daar had zij nooit spijt van. “Ik heb een goed en dankbaar leven achter de rug.”
Ze ziet grote verschillen tussen de wijkverpleging van vroeger en de thuiszorg van nu. “Het vak wijkverpleegster, zoals wij dat hebben ingevuld, bestaat niet meer.” Volgens haar hadden wijkverpleegkundigen vroeger meer vrijheid om zelf af te wegen hoeveel tijd iemand nodig had. Voor ernstig zieke mensen nam zij gewoon de tijd die nodig was. Beb was kritisch op zichzelf en op collega's. Verantwoordelijkheid stond voor haar altijd voorop. “Ik houd niet van gelummel.” Promotie naar een functie als districtsverpleegkundige wees zij af. Zij wilde liever direct contact houden met de mensen in de wijk.
Nog steeds spreken oud-patiënten haar aan. Soms ontmoet zij mensen die zij ooit als baby verzorgde en die nu zelf achter een kinderwagen lopen. Dat soort ontmoetingen bevestigen voor haar dat zij de juiste keuze heeft gemaakt. Toch kende het werk ook moeilijke momenten. De voortdurende betrokkenheid bij anderen kostte soms veel energie. Eén keer werd het haar bijna te veel. Op één dag kreeg zij te maken met meerdere zware situaties. Uiteindelijk raakte zij oververmoeid en moest zij zes weken rust nemen. In 1990 stopte zij met haar werk vanwege ernstige reuma in haar handen. “Ik gaf hart en ziel.” Op haar loopbaan kijkt zij met grote tevredenheid terug. Bang voor de dood is zij niet. “Want ik weet dat ik ook daarna in Goede Handen ben.”