Co van Doorn vertelt over vroeger: Jeugd aan de Walkartweg

Co van Doorn, geboren in 1920 aan de Herenlaan in Zeist, was de jongste van vijf dochters van een hoofdonderwijzer. In dit artikel deelt zij haar herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.

Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.

Jeugd aan de Walkartweg

Het valt niet mee om een leven van 93 jaar, waarvan 90 jaar op hetzelfde adres in Zeist, in een uur samen te vatten. Toch lukt dat behoorlijk als Co van Doorn vertelt over haar leven. Sinds 1923 woonde zij aan de Walkartweg. Toen het gezin daar kwam wonen, was het huis sterk verwaarloosd. De vorige bewoners hielden vogels en als je de zolderdeur opende en sloot, kon er zomaar een muis tussen zitten. Co was de jongste van vijf meisjes. Tussen haar en haar oudste zussen zat een flink leeftijdsverschil. Er was ook een broertje geweest, maar dat overleed jong. Haar moeder was ongeveer 42 jaar toen Co werd geboren.

Naar de kleuterschool ging zij niet. Die school, op de hoek van de 1e Hogeweg en de Slotlaan, was volgens haar bedoeld voor arbeiderskinderen. Wel tekende en kleurde zij graag. Als kind verlangde zij naar een echte verfdoos. Haar oudere zus Rie had er wel een, maar die wilde haar die niet laten gebruiken. Uiteindelijk kreeg Co tijdens een vakantie bij een oom en tante in Driebergen toch een verfdoos en een kleurboek. Bij een winkel van vrouw Van Soest op De Traay vond haar tante precies wat ze zo graag wilde hebben. De rest van de vakantie was Co er druk mee bezig.

De Walkartweg was een rustige buurt. Auto’s waren er bijna niet en kinderen speelden veel buiten. Afhankelijk van het seizoen werd er geknikkerd, gesprongen of getold. Aan het einde van de Montaubanstraat begon de Strooienbuurt. Daar kwam je als kind niet. Volgens de opvattingen van die tijd woonde daar het armste deel van de bevolking. Co herinnert zich nog de mensen die langs haar huis liepen naar het soephuis in de Maurikstraat voor gratis soep. De geur van de erwtensoep vond zij heerlijk. Toen zij haar moeder vroeg of zij ook soep konden halen, kreeg zij als antwoord: “Nee, dat is niet voor ons soort mensen.” Dat begreep zij toen niet goed. Ondanks verschillen in afkomst voelde Zeist volgens haar niet sterk verdeeld. Haar vader was hoofd van een school en hoorde, net als de dominee en de dokter, bij de notabelen van het dorp. Thuis kwam dagelijks een werkster uit de Leliestraat helpen. Zelf hoefden de dochters weinig huishoudelijk werk te doen, behalve bijvoorbeeld afwassen.

School en geloof

Het gezin was gereformeerd. Daarom ging Co niet naar de zondagsschool. Zij werd gedoopt door dominee Verhoef in de gereformeerde Oosterkerk aan de Slotlaan. Later ging het gezin naar de nieuwe Oosterkerk aan de Woudenbergseweg en daarna naar de houten Zuiderkerk aan de Van Reenenweg. 

Co bezocht de Walkartschool, waar haar vader werkzaam was. In de klas brandde nog gaslicht en in het midden stond een grote ijzeren kachel. Op de kachel stond: “Je brûle tout l’hiver.” (vertaling door red: ‘ik brand de hele winter’) De warmte was onregelmatig. Soms was het veel te warm en soms juist te koud. De kinderen lazen boeken van Van der Hulst, zoals Bob, Bep en Brammetje en Het Wegje in het Koren. Er was veel huiswerk. Co geeft achteraf één advies: ga nooit bij je vader op school. Haar vader hielp niet met huiswerk. Hij was druk met zijn werk en was ’s avonds vaak weg. Haar moeder regelde alles thuis.

Later ging zij naar de mulo aan de Frans van de Puttelaan, waar haar vader inmiddels schoolhoofd was geworden. Tekenen en schilderen deden haar nog steeds het meest plezier. Toen zij na school naar de kunstacademie wilde, wees haar vader dat af. “Geen sprake van, armoe lijden kun je altijd nog.” Tegen zijn besluit viel niet in te gaan. Bovendien pasten kunst en het gereformeerde leven volgens de opvattingen van die tijd niet goed bij elkaar.

Werk en schilderkunst

Omdat een opleiding aan de kunstacademie er niet in zat, ging Co werken bij Gerritsen & Van Kempen, later bekend als Van Kempen & Begeer. Zij werkte daar nog maar drie maanden toen in mei 1940 de oorlog uitbrak. De drie jongste medewerkers moesten vertrekken. Een jaar lang zat zij zonder werk. 

Via mijnheer Muysson, die samen met haar vader in de kerkenraad zat, kreeg zij de kans om bij de Gero een geschiktheidstest te doen. Daarbij moest zij een lange reeks getallen optellen. Zij dacht dat zij was gezakt, maar werd toch aangenomen. Via de loonadministratie en de facturering kwam zij uiteindelijk op de verkoopafdeling terecht. Daar groeide zij door tot beheerder van de monsterkamer. Dat vond zij prachtig werk. Zij werkte voor grote klanten zoals hotels, ziekenhuizen, de rijksoverheid en scheepvaartmaatschappijen. Ook was zij betrokken bij beurzen, waaronder jaarlijks de Horecava in Amsterdam.

Zodra zij haar eigen inkomen had, ging zij alsnog teken- en schilderlessen volgen. Eerst bij Wermeskerken en later bij Hilhorst aan de Utrechtseweg. Daar leerde zij veel. Voordat zij mocht schilderen, moest zij twee jaar lang tekenen. Na de dood van Hilhorst ging zij naast haar werk naar kunstacademie Artibus in Utrecht. Vaak was zij pas om elf uur ’s avonds thuis, terwijl zij de volgende ochtend weer vroeg op kantoor moest zijn. Zelf ontwierp zij geen producten, maar zij gaf stempelmakers aanwijzingen voor het aanbrengen van namen, logo’s en initialen op bestek voor hotels, schepen, overheidsinstellingen en ziekenhuizen.

Door: Leo van Selm en JanPiet Barthel