Cobie De Jong-Van Tellingen vertelt over vroeger

Cobie De Jong-Van Tellingen, geboren op 12 maart 1938, is weduwe, moeder van zeven kinderen (waarvan één overleden) en oma van negen kleinkinderen, en werkte onder andere als huishoudelijke hulp, verzorgende en lerares. In dit artikel deelt zij haar herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.

Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.

Jeugd en verschillen tussen arm en rijk

Cobie groeide op in een gezin met duidelijke normen en waarden. Haar vader was woninginrichter. In de jaren vijftig waren de verschillen tussen arm en rijk in Zeist groot. “Het werkvolk was anders gekleed dan de mensen van de buitenplaatsen,” vertelt ze. “Gewone mensen accepteerden dat. Ze voelden zich minder, maar klaagden daar niet over.”

Het gezin had het niet breed, maar kwam niets tekort. Elke zondag gingen ze naar de kerk. Daarna volgde een vast ritueel: een wandeling naar de begraafplaats met haar vader. Thuis kregen ze thee en een koekje. “De sfeer was goed. We hadden aandacht voor elkaar.”

Thuis was alles eenvoudig. “Wij hadden gewone pannen met een blauw randje.” Dat stond in schril contrast met de rijkere huishoudens die ze later zou leren kennen.

Werken bij de consul

Op haar vijftiende ging Cobie werken. Via haar vader kwam ze terecht bij de consul van Luxemburg en zijn vrouw. Daar werkte ze als kindermeisje. “Ik vond het spannend. Alles was anders dan thuis.”

Ze moest eten volgens de etiquette, met meerdere vorken en messen. “Ik wist niet eens waar ik moest beginnen.” De eerste avond kwam ze huilend thuis van de zenuwen. Toch zette ze door.

Ze zorgde voor twee kinderen en deed ook huishoudelijk werk. Zo moest ze leren wassen. Dat ging niet meteen goed. “De eerste keer waren alle kleertjes gekrompen.” Gelukkig werd daar begripvol op gereageerd.

Er waren ook mooie momenten. Zo kreeg ze geld om met een van de kinderen naar Ouwehands Dierenpark te gaan. “Ik was daar nog nooit geweest. Dat was een groot feest.”

Toch bleef het verschil tussen arm en rijk voelbaar. Toen ze werd uitgenodigd voor een chique receptie, durfde ze niet te gaan. “Ik was bang dat ik er niet bij zou horen.”

Later leven en terugblik

Cobie werkte later ook in De Looborch en als lerares in Meerkerk. Ze fietste daarvoor vanuit Zeist naar haar werk.

Ze maakte verschillende gebeurtenissen mee in Zeist, zoals het bezoek van koningin Juliana en de restauratie van Slot Zeist. Het slot was na de oorlog in slechte staat en werd later weer opgeknapt.

Ook op latere leeftijd merkte ze dat verschillen tussen mensen soms nog een rol speelden. Zo werd ze eens aangesproken door een dame die wilde weten wie ze was en wat ze deed. “Alsof ik er niet bij hoorde.”

Toch kijkt Cobie daar inmiddels anders naar. “Ik ben trots op wie ik ben en wat ik heb gedaan. Niets meer en niets minder. Gewoon goed genoeg.”