Dick van de Kamp vertelt over vroeger
Dick van de Kamp, geboren op 6 oktober 1944, getrouwd met Tjeerda Nauta, vader van drie zonen, opa van zes kleinkinderen en drie bonuskleinkinderen, en gepensioneerd vakbondsbestuurder. In dit artikel deelt hij zijn herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.
Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.
Jeugd aan de Oude Arnhemseweg en Krullelaan
Ik ben geboren aan de Oude Arnhemseweg 160. In 1947 verhuisden we naar de Krullelaan 15. Daar ben ik opgegroeid. Ik had twee broers en een zus en was het tweede kind in het gezin. Mijn vader was loodgieter. In 1934 begon hij voor zichzelf, omdat hij en zijn baas het oneens waren over een vrije dag. In het begin was het geen vetpot. Mijn ouders kwamen allebei uit Zeist. Ze waren gereformeerd en groeiden op in arme gezinnen. Ze hebben zich opgewerkt. Ik weet nog hoe mijn vader werkelijk alle boter van de verpakking schraapte.
Ik was een vrijbuiter. Mijn moeder is weleens in paniek geweest. Toen ik drie was, liep ik alleen over de Arnhemse Bovenweg. Een tante heeft me een keer midden op de Slotlaan moeten oppakken, waar ik liep met Fikkie, ons hondje. De bussen reden om mij heen. De tram reed toen al niet meer; de rails waren opgevuld met asfalt. Toen ik 10 was, mocht ik al alleen op de fiets naar Alphen aan den Rijn, waar familie woonde.
Schooltijd en buiten spelen
Ik ging naar de kleuterschool op de hoek van de Hogeweg en de Slotlaan. Ik zat bij juffrouw Van Ommeren. Ik noemde haar “van onderen”. De school had twee verdiepingen. Op een gegeven moment moest ik naar een andere klas, maar dat wilde ik niet. Ik moest met een paar man sterk naar de nieuwe klas worden gebracht, zo verzette ik me.
Daarna ging ik naar de lagere school aan de Walkartweg. Ik speelde veel in het bos bij Pavia en in het Walkartpark. In Pavia zat een meisjesinternaat. In de winter kon je er schaatsen op de vijver en in de lente vingen we salamanders. Ik hield van klimmen. Een politieagent heeft me weleens van het dak van de Boskapel gehaald. Ook ben ik een keer van de hoge muur van het Walkartpark gevallen, pal op mijn rug.
Voetbal was mijn grote liefde. We voetbalden op het veldje achter het gemeentehuis bij het Walkartpark. In het begin deden we dat met een bal die we maakten van kranten met elastiekjes eromheen. Toen ik 10 was, werd ik lid van voetbalvereniging Jonathan. Daar heb ik tot mijn 20e gevoetbald. Thuis oefende ik veel met de voetbal. Kwam de bal in de tuin van de buurman terecht, dan was het afwachten of je hem terugkreeg.
Gezin en geloof
Op zaterdagochtend was er nog school. Daarna mocht ik spelen. Soms ging ik met mijn vader mee. Hij was evangelisatie‑ouderling. Op zaterdag was er straatprediking op de markt aan de Voorheuvel, voor de zaak van Triezenberg. Ik deelde dan de teksten uit van de liederen. Mijn moeder was zorgzaam. Wij hoefden niet veel klusjes te doen. Mijn vader kon prachtig verhalen vertellen. Het was een warm gezin.
Voor Sinterklaas maakte mijn vader een garage voor mij. Die heb ik nog steeds. Op zondag gingen we naar de kerk. Als we thuiskwamen, aten we een gebakken eitje. Heerlijk vond ik dat. Ik was ook dol op Haagse bluf, een dessert van geklutst ei met bosbessen. In de zomer bestelden we vaak een emmer bosbessen bij de familie Van Ravenswaaij. Ze plukten die in Austerlitz.
Wij mochten op zondag wel buiten spelen. We wandelden en speelden ook in het bos. Dat was niet in elk gereformeerd gezin zo, maar mijn vader trok zich daar niets van aan. Wel mochten we geen kaartje kopen om bij de wedstrijden van voetbalvereniging Zeist te kijken op zondag. Ik loste dat op door mijn fiets tegen een paal van het voetbalveld bij de renbaan te zetten en op het zadel te gaan staan. Dan kon ik net over het groene doek heen kijken.
School, werk en eerste stappen richting vakbondswerk
Ik volgde het gymnasium aan het Christelijk Lyceum. In mijn middelbare schooltijd typte ik de rekeningen van mijn vader en bracht ze rond. Ik kreeg een dubbeltje per rekening. Ik schaam me wel eens als ik terugdenk aan hoe we leraren, meneer Samson en Stokmans, pestten.
Ik sprak goed plat Zeisters. Dat had ik geleerd van mijn moeders familie. Een tante woonde aan de Noordweg. Haar schoonzoon werkte bij de Gevato, het slachthuis en vleesverwerkingsbedrijf aan de Driebergseweg. Als we daar waren, kregen we een “lekker plakkie wors”. De Kroost werd toen ook wel het afvalputje van Zeist genoemd. De Vaalt, het afvalstoffendepot, lag aan het einde van de Noordweg. Het hek staat er nog steeds.
Na de middelbare school ging ik rechten studeren. Ook ben ik in militaire dienst geweest. Inmiddels had ik mijn vrouw leren kennen. We konden een huis krijgen in Rijssen, waar zij vandaan kwam. Toen ik een baan kreeg bij het CNV, verhuisden we snel weer naar Zeist, eerst aan de Dijnselweg. In 1971 verhuisden we naar de Kroostweg. Daar wonen wij nog steeds.
Eind jaren zeventig begon ik als vakbondsbestuurder. Dat heb ik tot mijn pensioen gedaan. De laatste jaren was ik voorzitter van de Hout- en Bouwbond CNV.
Geschiedenis en vrijwilligerswerk
Toen mijn vader overleed, nam ik een doos met documenten mee naar huis. Na mijn pensionering ging ik die lezen. Mijn vader vertelde alleen leuke dingen over de oorlog toen hij nog leefde. Ik wist dat hij in het verzet had gezeten en onderduikers had ondergebracht. Ook had hij een joods jongetje in huis genomen.
In de doos vond ik een sinterklaasgedicht van de moeder van het onderduikertje. Samen met de families Verduin en Verheul en de onderduikers werd Sinterklaas gevierd. Het gedicht beschreef iedereen die erbij was. Het was ontroerend. Het was december 1943 en vol hoop over vrede.
Die vondst heeft mijn belangstelling voor de geschiedenis van Zeist aangewakkerd. Na mijn pensioen ben ik actief geweest bij tennisvereniging Griffensteyn, het IVN als natuurgids, de Vereniging Bartiméus, de Oude Begraafplaats en het opzetten van het Geheugen van Zeist. Eén van de mooiste dingen vond ik het houden van natuurwandelingen voor blinden en slechtzienden. Ik genoot van die blijde gezichten.
Ik ben nu nog actief voor het Geheugen van Zeist, het Zeister Historisch Genootschap en de kerk. Mijn vrouw en ik trekken er graag op uit. We genieten van de kinderen en kleinkinderen. Ik ben een tevreden mens.
Door: Marja Vermeulen.