Gert Doornenbal vertelt over vroeger

Gert Doornenbal, geboren op 11 januari 1945 in Utrecht, is getrouwd met Joke, vader van drie kinderen (Janine, Marion en Alexander) en werkte van 1967 tot zijn pensioen in 2010 bij de Willem Arntsz Hoeve, waar hij begon als timmerman en eindigde als manager techniek. In dit artikel deelt hij zijn herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.

Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.

Begin op de Hoeve

In de winter van 1966-1967, aan het einde van zijn militaire dienst, was Gert op zoek naar werk. Zijn zus gaf hem een advertentie uit de krant: er werd een timmerman gezocht bij de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Zijn moeder vond dat geen goed idee. “Als je naar Den Dolder gaat, kom je er nooit meer weg,” zei ze. Gert moet daar nu om lachen. “Ze had nog gelijk ook.”

Hij werd snel aangenomen en bleef er zijn hele werkzame leven. Het terrein maakte meteen indruk op hem. Het was groot, met veel gebouwen: paviljoens, woningen, een boerderij en verschillende bedrijfsgebouwen. Al op zijn tweede werkdag raakte hij de weg kwijt.

De technische dienst bestond uit twee onderdelen: werktuigbouw en bouwkunde. Gert kwam bij bouwkunde terecht. Hij had veel collega’s en was een van de jongsten. “Ik kreeg er meteen 35 vaders bij,” zegt hij. De sfeer was goed en behulpzaam, maar het werk was soms zwaar en afwisselend.

Er waren ook grappige momenten. Zo knapten ze eens het mortuarium op. Door de dampen van de lak werden ze wat lacherig. De baas dacht dat ze hadden gedronken. Later begrepen ze dat ze beter hadden moeten ventileren.

Werken tussen patiënten

In het begin moest Gert wennen aan het werken in een psychiatrische omgeving. Sommige situaties maakten indruk, zoals patiënten in isoleercellen. Hij moest soms deuren herstellen, zodat mensen weer opgesloten konden worden. “Dat vond ik moeilijk, maar het hoorde bij het werk.”

Hij moest ook goed op zijn gereedschap letten. Het mocht niet in handen komen van patiënten. Toch ging het eens mis. Zijn gereedschapskist was verdwenen. Even later haalde een verpleger die onder een bed vandaan. Een patiënt had de kist gepakt en wilde ermee aan het werk.

Deze ervaringen laten zien hoe bijzonder en soms confronterend het werk was. Tegelijk was er ook veel samenwerking tussen de technische dienst en de zorg.

Wonen en leven op de Hoeve

Na een paar jaar vroeg Gert of hij een dienstwoning kon krijgen. Dat kon, maar alleen als hij getrouwd was. Kort daarna trouwde hij met Joke. Ze kregen een woning aan de Dolderseweg.

Het was prettig wonen op het terrein. De kinderen speelden buiten en iedereen kende elkaar. “Je werkte met elkaar en woonde bij elkaar,” zegt Gert. Dat gaf verbondenheid, maar soms was het ook lastig.

De buurt kreeg de bijnaam ‘de Uithoek’. De bewoners voelden zich een beetje apart van het dorp. Toch overheerst bij Gert een goed gevoel. Hij kijkt terug op een mooie tijd.

Ook na zijn pensioen blijft hij betrokken. Hij werkt als vrijwilliger met de klussenbus. Daarmee doet hij onderhoudswerk samen met cliënten. “Je bouwt zo een band op,” vertelt hij. Tegelijk maakt hij zich zorgen over de toekomst van dit werk.

Al met al kijkt Gert met plezier terug op zijn loopbaan. “Het was een bijzondere plek om te werken en te wonen.”