Jan van Veldhuijzen vertelt over vroeger: Bode van het gemeentehuis

Jan Johannes van Veldhuijzen, geboren op 13 oktober 1937 in Zeist, getrouwd op 31 juli 2000 met Maria Catharina van Veldhuijzen van Hoewijk van Bergen van der Grijp, was bode bij de gemeente Zeist. In dit artikel deelt hij zijn herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.

Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.

Van postbode naar bode

Jan van Veldhuijzen begon op 1 maart 1970 als tweede bode op het gemeentehuis onder burgemeester Stolk. Daarvoor werkte hij zeventien jaar bij het postkantoor aan de overkant van Het Rond. Op zijn vijftiende begon hij daar als telegrambesteller. In totaal werkte hij 63 jaar op Het Rond en bij de overheid. Hij maakte vier burgemeesters mee: Stolk, Eijsink, Boekhove en Janssen. Ook zag hij tientallen wethouders en honderden ambtenaren komen en gaan.

Zelfs op 77-jarige leeftijd deed hij nog iedere werkdag om kwart over zes het licht aan in het stadhuis en zette hij koffie voor de eerste medewerkers. Officieel was hij bode buiten dienst. Zestien jaar eerder had hij al afscheid genomen, maar hij bleef betrokken bij zijn werk. Voor veel mensen was hij meer dan een bode. Hij was vraagbaak, luisterend oor, vertrouwenspersoon en het geheugen van het gemeentehuis.

Over zijn overstap naar het gemeentehuis vertelt hij: “Bij de PTT draaide ik om de week nachtdienst. Na twaalf jaar vond ik dat niet meer zo aantrekkelijk. Toen kwam er een baan vrij als bode op het gemeentehuis.” Tijdens zijn sollicitatie vroeg hij meteen of hij later hoofdbode kon worden. Een jaar later kreeg hij te horen dat hij de opvolger zou worden van meneer Dokter. Zijn eerste werkdag verliep minder soepel. Hij moest werken met de frankeermachine en voerde per ongeluk een veel te hoog bedrag in. Gelukkig konden zijn oud-collega’s van het postkantoor het probleem oplossen.

Mensenkennis en respect

Volgens Jan zijn geduld en mensenkennis onmisbaar voor een goede bode. “Je moet open staan voor ieder mens dat binnenkomt.” In zijn loopbaan kreeg hij te maken met boze, verdrietige en soms wanhopige mensen. Zo herinnert hij zich een echtpaar dat met een matras en dekens op het bordes van het gemeentehuis ging zitten. Ze wilden pas vertrekken als zij een woning toegewezen kregen. Dat soort situaties raakten hem, al probeerde hij altijd rustig te blijven en te luisteren. “In dit vak is het vooral een kwestie van horen, zien en zwijgen.”

Door de jaren heen veranderde het werk sterk. Toen hij begon, waren er vier bodes. Zij haalden regelmatig post op bij alle afdelingen en verzorgden allerlei ondersteunende taken. Later veranderde zijn functie steeds meer in die van gastheer. Ook de omgangsvormen veranderden. Jan bleef vasthouden aan zijn eigen stijl. “Ik ga veel met de wethouders om, maar daar zeg ik U tegen.” Zelfs als iemand zei dat hij bij de voornaam genoemd mocht worden, bleef Jan beleefd “meneer” of “mevrouw” zeggen. Zo was hij opgevoed.

Burgemeester Stolk maakte veel indruk op hem. Die burgemeester was formeel en streng. Jan moest bijvoorbeeld stoppen met fluiten op de gang omdat dat de burgemeester afleidde tijdens zijn werk. Later werd de sfeer losser. Tijdens raadsvergaderingen gaf Jan soms de tussenstand van een voetbalwedstrijd door aan de burgemeester. Aan het einde van de vergadering werd die dan aan iedereen bekendgemaakt.

Trots en afscheid

Jan voelde zich altijd gelukkig in zijn werk. “Ik houd van dit vak.” De contacten met mensen waren voor hem het belangrijkste. Hij vond het mooi om mensen te helpen en te ondersteunen. Toen hem werd gevraagd of hij ooit burgemeester had willen worden, antwoordde hij dat dat niets voor hem was. “Laat mij beneden lopen en mensen opvangen. Iets mooiers bestaat niet.”

Het hoogtepunt van zijn loopbaan was de dag waarop hij werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij dacht dat hij tijdens de lintjesregen alleen het Wilhelmus zou spelen op zijn cornet. Tot zijn verrassing bleek hij zelf degene te zijn die werd onderscheiden. Familieleden kwamen plotseling tevoorschijn en het werd een zeer emotioneel moment. 

Ook droevige gebeurtenissen zijn hem bijgebleven. Zo verloor hij een collega met wie hij 36 jaar had samengewerkt. Dat verdriet voelde hij nog jarenlang. Zijn geloof gaf hem daarbij kracht. Jan was christen en heilsoldaat. Hij zag een duidelijke relatie tussen zijn geloof en zijn werk. “Als christen heb je de taak om voor je naasten te zorgen.” Naast zijn werk bleef hij actief als muzikant. Regelmatig speelde hij in het ziekenhuis en tijdens kerstvieringen. Wanneer hij terugkijkt op zijn leven en loopbaan, overheerst vooral de dankbaarheid voor alle mensen die hij heeft ontmoet en alle verhalen die hij heeft mogen horen.

Door: Elian de Jonge