Janny van Bokhorst vertelt over vroeger: Moeder en huisvrouw in Zeist

Janny van Bokhorst, geboren in Utrecht, getrouwd geweest met Gerard van Bokhorst, moeder van Steven, Joke en Marina, was moeder en huisvrouw in de jaren zestig. In dit artikel deelt zij haar herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.

Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.

De eerste huwelijksjaren

Na anderhalf jaar verkering was, zoals dat toen heette, de ooievaar onderweg. Het was 1962 en we trouwden. Ik droeg een lichtblauwe trouwjurk met zilveren accenten die mijn moeder zelf had gemaakt. Met een woonvergunning gingen we wonen op de bovenverdieping van het huurhuis van mijn schoonouders aan de Javalaan in Zeist. De gemeente maakte er een keukentje en er kwam een extra rookkanaal voor een kolenkachel in de kleine woonkamer. We hadden een piepkleine slaapkamer waar eerst een bed en een wiegje stonden. Later kwamen daar een ledikantje en nog een wiegje bij. Alles stond propvol.

Na een tijdje gingen mijn schoonouders beneden slapen in de eethoek en kregen wij boven meer ruimte. Vier jaar later verhuisden zij naar een bejaardenwoning aan de Kerkhofflaan en kregen wij het hele huis. De huizen aan de Javalaan waren in 1941 gebouwd zonder douche. Er was wel een ruimte voor bedoeld. Gelukkig hadden de buren wel een douche. Mijn man ging daar iedere week douchen. Dat was toen heel normaal, want je douchte meestal maar één keer per week. We hadden overal aparte potjes voor. Er stond een langwerpige geëmailleerde Brabantia-spaarbus met gleufjes voor gas, huur, kolen, boodschappen en andere uitgaven.

Gezin, huishouden en school

Maandag was wasdag. Alle buren deden dan de was. Er was altijd wel een buurvrouw die als eerste begon. Het was ook een sociaal moment. Met drie kleine kinderen moest ik veel luiers wassen. Daarvoor gebruikten we een klein wasketeltje met water op het driepits-oliestel van mijn schoonmoeder. Daar ging geraspte Sunlight-zeep bij. Voor de grote was gebruikten we een grote wasketel. Warm water hadden we nog niet.

De meeste kleding maakte ik zelf. Ik had een naaimachine en een abonnement op de Marion, een bekend patronenblad. Ik volgde de mode goed. Toen de kinderen ongeveer veertien waren, wilden ze liever gekochte kleding dragen. Mijn schoonmoeder breide veel voor kinderen, kleinkinderen en later ook achterkleinkinderen.

Voor babyvoeding gebruikte ik nooit potjes Olvarit. Mijn man werkte bij Inventum en daardoor hadden we al vroeg een blender. De eerste nasi aten we uit blik. Later maakte ik die zelf. Voor de baby maakte ik gepureerde groenten met de blender. We leefden zuinig. Op zaterdag kocht ik vlees voor meerdere dagen. Op dinsdag aten we verse vis uit Spakenburg, de geboorteplaats van mijn schoonmoeder. Als de kinderen groter werden, deelden we met ons vijven één worst. Om discussie te voorkomen, sneed ik die vooraf al in stukjes. Elke dag aten we soep. Met een beetje poulet, gehakt en twee blikjes soepgroente maakte ik een grote pan. Vergeleken met nu was het allemaal een stuk eenvoudiger.

Betalen deden we contant. We spaarden allerlei zegels bij de melkboer, bakker en supermarkt. Van die spaarkaarten heb ik uiteindelijk een koelkast bij elkaar gespaard.

Onze kinderen gingen eerst naar de Van de Entschool aan de Wouter van Wijcklaan. Daarna gingen ze naar De Smidlandschool. Tegenwoordig zijn deze scholen opgegaan in De Wegwijzer. Ze kregen geen schoolmelk, maar wel schoolliga. Mijn zoon zei laatst nog hoe droog dat voelde in je mond. Daarbij hoorde een liedje: lekker eten, lekker eten, eet maar op, eet maar op, lekker liga eten. Eén keer per jaar hadden ouders een gesprek met de leerkracht. Daarnaast waren er kijkavonden op school.

Ontspanning en terugkijken

Thuis speelden we, lazen we veel en keken we televisie. In januari 1965 kregen we een tweedehands televisie. Mijn zoon Steven keek dan naar Bolke de Beer. Later keken we bij de overburen naar The Saint. Televisiekijken was een moment voor het hele gezin. De kinderen zaten gewassen en in pyjama naast elkaar op de bank. Lezen deden we ook graag. Met Sinterklaas kreeg ieder kind elk jaar een boek. Steven kreeg bijvoorbeeld De Kameleon en Pietje Bel. Joke kreeg De Olijke Tweeling en Marina Het Kleine Huis. De meisjes gingen jong op dansles. Joke was twaalf jaar en Marina negen. Dat hoorde toen bij de opvoeding. Ze droegen daarbij altijd rokken of jurken. Ik maakte voor hen mooie cirkelrokken.

In juni 1965 gingen we voor het eerst op vakantie. De overburen hadden een week in een nieuwe caravan in Schoorl gewonnen en wij mochten mee. Omdat we geen auto hadden, reisden we met trein en taxi. We namen zelfs onze eigen dekens mee. Er was geen elektriciteit, geen toilet in de caravan en alleen een gaslamp voor licht. Buiten stond een ingegraven wasketel om melk koel te houden. Toch vonden we het fantastisch. Sindsdien ga ik nog steeds graag naar Schoorl voor een paar weken strand.

Mijn man deed alle klussen in huis en hielp ook de buren. Huishoudelijk werk deed hij weinig, behalve soms stofzuigen. We deden allebei veel vrijwilligerswerk, onder andere bij speeltuinvereniging Kindervreugd in onze wijk. Voor mijn vrijwilligerswerk kreeg ik in 2005 een koninklijke onderscheiding.

Als ik terugdenk aan onze eerste huwelijksjaren, denk ik aan gelukkige jaren. We hadden het goed. Dat vertel ik ook graag aan mijn kleinkinderen. Als ik hen op de schommel duwde, zong ik altijd: Er schommelt een wiegje in het bloeiende hout een wiegje met bloemengordijntjes dat hebben twee vogeltjes samen gebouwd en kijk eens hoe keurig en fijntjes.

Door: Ine Kievits