Jeannette van Andel vertelt over vroeger

Jeannette van Andel, geboren in Dieren (gemeente Rheden), in april 2016 65 jaar, ongehuwd en zonder kinderen, was huisarts en had haar praktijk onder andere aan de Huydecoperweg 6. In dit artikel deelt zij haar herinneringen als onderdeel van de mondelinge geschiedenis van Zeist.

Mondelinge geschiedenis, ook wel oral history genoemd, is een manier om het verleden vast te leggen aan de hand van persoonlijke herinneringen. Mensen vertellen hun eigen ervaringen in een gesprek, waardoor verhalen bewaard blijven die niet altijd in officiële documenten staan. Deze herinneringen kunnen soms afwijken van bekende feiten, omdat ze gebaseerd zijn op wat iemand zelf heeft meegemaakt.

Mijn werk als huisarts

Het contact met mensen en het vertrouwen dat zij in mij hadden, heeft mij altijd ontroerd. Ik kon mensen helpen op medisch gebied, maar ook bij relationele problemen of opvoedingsvragen. Dat ik op zoveel fronten iets kon betekenen, vond ik bijzonder.

En kinderen natuurlijk. Kinderen zijn zo puur en zichzelf. Ze zijn wel veranderd, mondiger geworden. Soms dacht ik: hallo zeg. Maar dat spontane bleef mij boeien. Het pure boos zijn of juist om je hals vliegen. Het geruststellen van een bang kind, daar genoot ik van.

Toch lag mijn hart vooral bij de palliatieve zorg. Dat is zorg voor mensen met een ongeneeslijke ziekte, gericht op kwaliteit van leven. Aan de ene kant kon ik vaak weinig doen, maar aan de andere kant juist heel veel. En daar kreeg ik veel voor terug.

Opleiding en praktijk

Ik was een jaar of zes, zeven toen ik dacht: ik wil dokter worden. Ik las de boeken van Albert Schweitzer en wilde naar Afrika. Dokter ben ik geworden, maar ik ben daar nooit gaan werken. Toch zit Afrika nog steeds in mijn hart.

De studie begon vrij theoretisch. Pas in het derde jaar zag ik mijn eerste patiënt. In de co-assistententijd werd het interessanter. Ik twijfelde nog over mijn richting, maar huisarts zijn sprak mij het meest aan, juist doordat je bij mensen thuis komt en gezinnen leert kennen.

In juni 1978 nam ik de praktijk over van Willy Rahms, de eerste vrouwelijke huisarts in Zeist. Ik werd daarmee zelf de enige vrouwelijke huisarts in Zeist. Niet lang daarna begon ik samen met twee collega’s een groepspraktijk aan de Huydecoperweg. Daar heb ik gewerkt tot 2002. Tegen de tijd dat ik stopte, was driekwart van de huisartsen vrouw.

De manier van werken is sterk veranderd. Vroeger deed je veel meer huisbezoeken, soms wel tien per dag. Nu gebeurt dat nauwelijks nog. Ook ging ik bijvoorbeeld bij nabestaanden langs om te vragen hoe het ging. Die ruimte is er nu veel minder.

De kennis en middelen zijn ook veranderd. Vroeger zocht je alles op in boeken of vroeg je collega’s. Computers en internet waren er niet. Tegenwoordig kun je alles snel opzoeken en worden richtlijnen regelmatig aangepast. Dat heeft voordelen, maar maakt het werk ook anders.

Veranderingen en terugblik

Ook in de organisatie van de zorg is veel veranderd. Vroeger had je het verschil tussen ziekenfonds en particuliere patiënten. Dat gaf soms lastige situaties, bijvoorbeeld bij betalingen. Dat vond ik nooit prettig. Zorg verlenen en geld vragen, dat botste voor mijn gevoel.

In mijn beginperiode wist men nog weinig over sommige ziektes, zoals dementie op jongere leeftijd. Ik heb het ook weleens gemist bij een patiënt. Dat vond ik moeilijk, maar het laat zien hoe kennis zich ontwikkelt.

Bij palliatieve zorg en euthanasie heb ik veel meegemaakt. In de jaren tachtig werd daar nog voorzichtig over gesproken. Later kwamen er regels en meer openheid. Ik heb mij aangesloten als SCEN-arts om zorgvuldig te kunnen werken bij euthanasieverzoeken.

Als ik terugkijk, zou ik opnieuw voor dit beroep kiezen. Al denk ik soms: misschien was ik wel voetballer geworden. Dat kon vroeger niet voor vrouwen. Nu wel. Of ik prof zou zijn geworden? Wie weet.